Weven in de late Steentijd

Door Guus van den Broek.
Vlechtwerk van enige breedte en lengte is waarschijnlijk het eerst ontstaan aan een boom. De half vergane bast van dode wilg- of lindetakken die een tijd in het water hadden gelegen bezaten sterke vezels. Deze vezels werden in elkaar gedraaid tot een touw. Deze zelf gemaakte touwen werden aan een horizontale tak geknoopt en deze werden onderaan met zware stenen belast.

weefgewichten02

Weefgewichten

Zo kon men de draden behoorlijk scheren of spannen. Vandaar de naam scheringdraden of spandraden. Deze schering of spanning wordt ook wel ketting genoemd. Die ene draad, die telkens door de schering heen gevlochten wordt, heet de inslag. Met een “vlechtnaald”, gemaakt van een rietstengel, waarin de vezel werd geklemd, kon men gaan invlechten. Later ging men de even scheringdraden met een stok naar voren halen. Die stok kon men vastzetten in twee vork-takken. Zo ontstond er een open ruimte (we noemen dat een “vak” of “sprong”), waar men de weefspoel snel doorheen kon steken. Er kwamen steeds verbeteringen, waardoor het denkbaar is dat men zo gekomen is tot het grote weefgetouw, dat men “gewichten-stoel” noemt. Het apparaat heeft er misschien als volgt uit gezien.

Raamwerk van takken

Raamwerk van takken

Het grote raam van samengebonden takken stond iets achterover hellend in de grond. De paal, waaraan de scheringdraden waren bevestigd, lagen los en dus draaibaar in de gaffels van beide verticale palen. Vanaf deze paal hingen alle even scheringdraden, met een steen verzwaard, recht naar beneden. De “ophaler” door afzonderlijke lusjes verbonden met de even scheringdraden, kon naar voren getrokken worden en gelegd worden in de gaffels van twee kleine vork-takken, die aan de verticale palen waren bevestigd. Door het naar voren halen van de “ophaler” en het weer terugplaatsen van deze lat werden afwisselend verschillende vakken geopend. In dit vak konden stroken ruwe wol of vezels in hun geheel worden ingelegd. Hierdoor ging het weven snel. Het was mogelijk om een geweven stuk om de bovenste paal op te rollen. De paal moest wel vastgezet kunnen worden, waardoor terugdraaien verhinderd werd.
Bovendien zullen de lusjes van scheringdraden zo stevig aan de bovenpaal bevestigd moeten zijn dat ze niet gaan meedraaien.

doorrijgen02

Doorrijgen in de lussen

Dat men in de Late Steentijd het weven kende, is zeker, want bij opgravingen vindt men niet alleen resten van weefsels, maar ook stenen (“weefgewichten”), die keurig op een rijtje liggen en de plaats aangeven, waar vroeger een weef-apparaat heeft gestaan. Bij verschillende volken zijn heel verschillende weef-apparaten in gebruik, die toch alle op hetzelfde beginsel berusten.

Reacties zijn gesloten.